Zwemvaardigheid

InformatieZwemvaardigheid 1Zwemvaardigheid 2Zwemvaardigheid 3

Tijdens de lessen zwemvaardigheid leren de kinderen in de breedte de zwemsport beter kennen. De slagen die zijn geleerd tijdens het ABC diploma worden uitgebreid naar wedstrijdslagen en de kinderen leren nieuwe technieken die in verband staan met waterpolo, synchroonzwemmen en survivalzwemmen.

Voor Wie?
Waar?
Meenemen?
Kosten?
Aanmelden?

Examen programma; zwemvaardigheid 1:

Diverse combinaties – Kleding:

Plastic zak : Van de kant of het startblok met sprong naar keuze te water gaan; vervolgens na het boven komen al watertrappelend van een (meegenomen/toegeworpen) plastic zak een drijfmiddel maken, hiermee vervolgens 30 sec. op blijven drijven; vervolgens zelfstandig uit het water klimmen.

Onder water zwemmen: Van de kant of het startblok te water gaan met kopsprong; vervolgens zonder boven te komen:
9 meter onder water door het zeil; na het bovenkomen; vervolgens
2 banen enkelvoudige rugslag, 2 keer een koprol achterover.
2 banen schoolslag onderbroken door: onder een vlot door zwemmen (Minimaal 1 ½ meter), vervolgens op het vlot klimmen en aan de tegenoverliggende kant eraf gaan en wederom weer onder het vlot door zwemmen: vervolgens Zelfstandig uit het water klimmen.

Water trappelen: Tweetallen: Deelnemer A ligt watertrappelend in het water, deelnemer B trekt deelnemer A vanaf de kant met behulp van een flexibeam of lesplankje naar de kant.

Diverse combinaties – Badkleding:

Afstand zwemmen schoolslag met keerpunten: Van de kant of het startblok met sprong naar keuze te water gaan; vervolgens na het bovenkomen 6 banen schoolslag, waarbij minimaal 2 keer een correct keerpunt wordt gemaakt (met beide handen aantikken, afzetten met beide voeten in borstligging).
Samengestelde rugslag: Starten in het water, handen aan de stang van het startblok of aan de zwembadrand, gevolgd door 1 baan samengestelde rugslag.

Borstcrawl: Van de kant of het startblok te water gaan met een startsprong, gevolgd door 25 meter borstcrawl.

Rugcrawl: Starten in het water, handen aan de stang van het startblok of de zwembadrand , met wedstrijdstart, gevolgd door 1 baan rugcrawl.

Vlinderslag: Starten in het water door afzet van de kant, gevolgd door 8 meter vlinderslag (bij voorkeur dolfijnslag).

Schoolslag: Van de kant of het startblok te water gaan met sprong naar keuze, 3 slagen schoolslag gevolgd door het maken van een hoekduik daarna 3 pionnen aantikken die op een onderlinge afstand van minimaal 2 meter onder het water oppervlak zijn opgesteld.

Wrikken: In het water starten met rugligging, handen bij de heupen, 5 meter wrikken (stuwen) in de richting van het hoofd, proef afronden met een gehurkte draai (360°).

Bal werpen: Tweetallen: In het water 4x de bal werpen (vangen hoeft niet, afstand minimaal 2 meter).

Polocrawl: Starten in het water, 10 meter polocrawl zwemmen.

Watertrappelen: 30 seconden ongelijkzijdig watertrappelen.

 

Examen programma; zwemvaardigheid 2:

Diverse combinaties – Badkleding:

Plastic zak: Van de kant of het startblok te water gaan met sprong voorwaarts (helemaal onder water) vervolgens; Al watertrappelend van een (meegenomen/toegeworpen) plasticzak een drijfmiddel maken, hiermee vervolgens 1 minuut mee blijven drijven; vervolgens Zelfstandig uit het water klimmen.

Onder water zwemmen: Van de kant of het startblok te water gaan met kopsprong; vervolgens zonder boven te komen
9 meter onder water door het zeil waarna (zonder boven te komen) een pion op 12 meter (van de startkant) wordt aangetikt na het bovenkomen aansluitend
Rugslag: 2 banen enkelvoudige rugslag, 1 keer onderbroken door achtereenvolgend 2 keer voorover en 2 keer achterover te rollen.
Schoolslag: 2 banen schoolslag, waarbij 1 keer het volgende onderdeel wordt uitgevoerd met tweetallen: deelnemer A en B zwemmen naar elkaar toe, deelnemer A legt de handen op de schouders van deelnemer B en duwt deze even onder water terwijl hij/zij eroverheen zwemt. Deelnemer B zwemt onder deelnemer A door.
Zelfstandig uit het water klimmen.

Watertrappelen: Tweetallen: Deelnemer A ligt watertrappelend in het water, deelnemer B springt vanaf de kant met een hurksprong te water met een flexibeam of lesplankje in de hand, pakt vervolgens de kant vast, strekt de flexibeam of het lesplankje uit naar deelnemer A en trekt deelnemer A naar de kant.

Diverse combinaties – Badkleding:

Afstand zwemmen schoolslag met keerpunt: Van de kant of het startblok met sprong naar keuze te water gaan; vervolgens na het bovenkomen 7 banen schoolslag, waarbij minimaal 2 keer een correct keerpunt wordt gemaakt (met beide handen aantikken, afzetten onder de waterspiegeling met beide voeten, gevolgd door een hele cyclus (armbeweging tot heupen, 1 beenslag onderwater).
Samengestelde rugslag: Starten in het water, handen aan de stang van het startblok of aan de zwembadrand, gevolg door 50 meter samengestelde rugslag.

Borstcrawl: Van de kant of het startblok te water met een startsprong, gevolg door 2 banen borstcrawl (aantikken en weer verder gaan).

Rugcrawl: Starten in het water, handen aan de stang van het startblok of aan de zwembadrand, met wedstrijdstart, gevolgd door 2 banen rugcrawl.

Vlinderslag: Starten in het water door afzet van de kant, gevolgd door 10 meter vlinderslag (bij voorkeur dolfijnslag).

Schoolslag met hoekduik: Van de kant of het startblok te water gaan met sprong naar keuze, 3 slagen schoolslag gevolgd door het maken van een hoekduik en daarna onder water door 2 staande hoepels zwemmen, die op een onderlinge afstand van 2 meter onder het wateroppervlak staan (minimaal 1 ½ meter).

Wrikken: In het water starten met rugligging, handen bij de heupen, 5 meter wrikken (stuwen) in de richting van de voeten, proef afronden met een gehurkte draai (360º) rechtsom, uitstrekken en aansluitend een draai (360º) linksom.

Bal werpen: Tweetallen: In het water 4 x de bal werpen (vangen hoeft niet, afstand minimaal 4 meter).

Polocrawl: 10 meter zwemmen met de bal met polocrawl.

Watertrappelen: 30 seconden ongelijkzijdig watertrappelen, op signaal 3 keer omhoog komen.

Examen programma; zwemvaardigheid 3:

Diverse combinaties – Badkleding:

Plastic zak: Van de kant of het startblok te water gaan met een sprong voorwaarts, (helemaal onder water gaan) na het boven komen aansluitend
Al watertrappelend, van een (meegenomen/toegeworpen) plastic zak een drijfmiddel maken hiermee 30 seconden blijven drijven, daarna onder water gaan, de plastic zak legen, weer boven komen en opnieuw met lucht vullen en 30 seconden blijven drijven; vervolgens Zelfstandig uit het water klimmen.

Onder water zwemmen: Van de kant of het startblok te water gaan met kopsprong; vervolgens zonder boven te komen
9 meter onder water door het zeil waarna (zonder boven te komen) een pion op 15 meter (van de startkant) wordt aangetikt na het bovenkomen aansluitend
Rugslag: 2 banen enkelvoudige rugslag.
Schoolslag met hoekduik: 2 banen schoolslag, onderbroken door: een hoekduik, onder water door een poortje heen, een halve draai om de lengte as maken naar rugligging en zo boven komen.
Zelfstandig uit het water klimmen.

Watertrappelen: Tweetallen: Deelnemer A ligt watertrappelend in het water, minimaal 10 meter van de kant. Deelnemer B springt met een hurksprong vanaf de kant te water met een flexibeam of lesplankje in de hand, strekt de flexibeam of het lesplankje uit naar Deelnemer A en trekt deelnemer A 10 meter rugligging naar de kant.

Diverse combinaties – Badkleding:

Afstand zwemmen schoolslag met keerpunt: Van de kant of het startblok te water gaan met een sprong naar keuze, onmiddellijk gevolgd door 4 banen schoolslag, waarbij minimaal 3 keer een correct keerpunt wordt gemaakt (met beide handen aantikken, afzetten onder de waterspiegeling met beide voeten), gevolgddoor een hele cyclus (armbeweging tot heupen, 1 beenslag onder water).

Rugslag: Starten in het water, handen aan de stang van het startblok of aan de zwembadrand, gevolgd door 3 banen samengestelde rugslag.

Borstcrawl met tuimelkeerpunt: Van de kant of het startblok te water gaan met een startsprong, gevolg door 3 banen borstcrawl, waarbij minimaal 1 tuimelkeerpunt wordt gemaakt (voorover tuimelen en afzetten in de borst of zijligging).

Rugcrawl met keerpunt: Starten in het water, handen aan de stang van het startblok of aan de zwembadrand, met wedstrijdstart, gevolg door 3 banen rugcrawl waarbij minimaal 1 keerpunt wordt gemaakt (op de borst draaien, voorover tuimelen en onder water aftellen in rugligging).

Vlinderslag: Te water gaan van de kant of het startblok met een startsprong, gevolgd door 15 meter vilderslag (bij voorkeur dolfijnslag)

Schoolslag met hoekduik: Van de kant of het startblok te water gaan met sprong naar keuze, 3 slagen schoolslag, onmiddellijk gevolgd door het maken van een hoekduik en daarna onder water een hoepel van de bodem optillen (deze bevind zich horizontaal op de bodem minimaal 2 meter diep) er doorheen gaan (uitvoering vrij) en vervolgens weer boven komen.

Wrikken: In het water starten met rugligging, handen bij de heupen. 5 meter wrikken (stuwen) in de richting van het hoofd, aansluiten een gehurkte draai (koprol) achterover.

Polocrawl en bal werpen: in het water starten, 10 meter zwemmen met de bal met polocrawl, met zijn tweeën naast elkaar, de bal 2 keer naar elkaar overspelen.

Watertrappelen: 30 seconden ongelijkzijdig watertrappelen, waarbij de bal minimaal 3 keer wordt overgegeven van de één naar de andere hand, ruim boven het wateroppervlak.

Direct aanmelden voor zwemles?